Evidence-informed & de complexiteit van de praktijk

Scholen ‘worden verplicht om evidence-informed te werken’. Het idee daarachter is dat scholen doen wat werkt. Wat er dan werkt? Dat wat uit onderzoek naar voren komt. En wat komt er dan uit onderzoek naar voren? Heel veel verschillende dingen, die elkaar vaak ook nog eens tegenspreken. Iets dat voortkomt uit onderzoek is niet altijd wat het lijkt én wordt dan ook vaak nog versimpelt of eenzijdig bekeken. Dus hoe weet je nu wat echt werkt? En hoe zorg je dat dit in de klas terecht komt? Dat is nog best complex, blijkt uit onderzoek.

Doen wat werkt

Het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek, kondigde recent op hun congres Kennis in Beweging aan dat zij per 1 januari 2026 verder gaan als Nationaal Kennisinstituut Onderwijs, dat (vooralsnog) permanent op de OCW-begroting komt te staan. Daarbij zal het orgaan ook intensiever gaan samenwerken met lerarenopleidingen en onderwijsadviesbureaus – volgens ons is dit een mooie ontwikkeling.

Het ontwikkelen van kennis bij leerlingen (en studenten) wordt daarbij een belangrijk uitgangspunt. Sterker nog: scholen worden verplicht om evidence-informed te werken, aldus Timon Verheule, plaatsvervangend directeur generaal funderend onderwijs bij OCW.

Dat klinkt als een krachtige uitspraak. Maar, wat is dat nu precies, evidence-informed lesgeven? En op basis van welk ‘evidence’ (bewijs) zou je dit dan moeten doen?

Evidence-informed

In het curriculum willen we onze leerlingen en studenten iets leren. Om dat goed te doen, heb je goed lesgeven nodig: oftewel een doordachte pedagogisch-didactische aanpak. Welke aanpak werkt nu het beste? Dat blijkt nog behoorlijk complex.

Soms wordt een docent met arts vergeleken: een arts volgt bij een operatie strikte protocollen en handelingen op basis van onderzoek (evidence-based), om zo het beste resultaat te bereiken of sterker nog: als dat niet gebeurt dan kan het levensgevaarlijk zijn voor de patiënt. Er is dus geen ruimte voor ‘experimenteren’. In het onderwijs zou je toch ook niet willen dat docenten experimenteren met leerlingen of studenten? Je wilt toch ook dat docenten hun handelen baseren op onderzoek?

Het klinkt goed, maar het is ook een false vergelijking. Allereerst heb je binnen het onderwijs met een grotere diversiteit aan omstandigheden te maken, waardoor onderzoek nooit sluitend kan duiden wat werkt: daarom kun je nooit spreken van evidence-based lesgeven. Wél kun je het handelen baseren op onderzoek en dus evidence-informed lesgeven. Maar op welk onderzoek baseer je dit handelen dan precies?

Complexiteit, verleiding en een crisis

Onderzoek over leren komt veelal voort uit de cognitieve psychologie: onderzoek dat zich bezighoudt met de functies van het brein en de relatie daarvan met het gedrag. Het is onderzoek dat dus over algemeen wordt gezien als ‘dat wat werkt’. Echter, zo straight-forward als het lijkt, is het niet. Sterker nog, het is alles behalve dat.

Allereerst is onderzoek complex, zeker binnen het onderwijs. Regelmatig worden kleine resultaten breed uitgemeten, oftewel van een mug wordt een olifant gemaakt. Daarnaast worden enkel onderzoeken die ‘significante verschillen’ laten zien gepubliceerd. En datgene wat dan wordt gepubliceerd, is ook nog eens erg complex om écht te begrijpen, zoals bijvoorbeeld een recent onderzoek over de growth mindset.

Ten tweede is onderzoek van het brein verleidelijk, waardoor we ons snel blindstaren op resultaten. Wanneer publicaties gaan over ‘hoe het brein werkt’, dan vinden we dat al snel interessant (het brein is immers een soort black box), waardoor we ook geneigd zijn minder kritisch kijken naar wat onderzoek nu écht zegt. Biases spelen kortom een sterke rol, zo ook als het gaat over aantrekkelijke visualisaties van bijvoorbeeld neurobeelden, oftewel elektro-encefalogram (EEG) of hersenfilmpje: afbeeldingen of filmpjes waarin de actieve werking van het brein zichtbaar is.

Figuur 1. Een EEG ziet er verleidelijk uit, maar of het helemaal juist is…

Ten derde is er een replicatiecrisis in onderzoeksland, en zo ook in het onderwijs: een studie die één keer een veelbelovend effect laat zien, blijkt bij herhaling vaak minder sterk of zelfs afwezig. Dat maakt duidelijk hoe voorzichtig we moeten zijn met conclusies op basis van enkelvoudige onderzoeken. Het is daarom dus extra belangrijk om nooit uit te gaan van één spectaculaire studie, maar van patronen die vaker terugkomen. Dat vraagt om het kritisch omgaan met onderzoek: om zo als school kritisch kunnen kijken naar wat werkt.

De meta-analyse

Eén manier om sterker te onderbouwen wat werkt, is door gebruik te maken van meta-analyses: onderzoek waarbinnen veel studies worden samengebracht om zo een gemiddeld effect te berekenen. In het onderwijs worden ze dan ook vaak gezien als de sterkste vorm van bewijs. Echter, recente inzichten tonen aan dat ook meta-analyses regelmatig wankel zijn: ze combineren uiteenlopende studies, bevatten publicatiebias of leunen zwaar op een klein aantal onderzoeken. Daardoor kan een indrukwekkende effectgrootte een overschat beeld geven van wat in de praktijk blijkt te werken.

Meta-analyses bieden daarom richting, geen zekerheid. Wie evidence-informed wil werken, kan de onderzoeken dus prima gebruiken om trends te herkennen, maar moet ook dit type analyse niet verwarren met harde recepten voor goed onderwijs.

De complexiteit van de praktijk

Hoe kunnen we dan kijken naar wat wel werkt. Herhaling is essentieel voor het leren, net zoals dat het geven van feedback het leren enorm kan versterken. En zo zijn er nog wel meer aspecten die keer op keer een overduidelijk positief effect hebben: vaak is dit geen nieuws. Interessant wordt het als je hier dieper in duik: want hoe vaak moet je dan herhalen? En welke feedback werkt dan het beste? Duik je er nog dieper in, dan kom je op de toepassing van verschillende leerstrategieën en misschien ook wel het werken aan feedbackgeletterdheid. En zo kun je nog dieper en breder graven: er is ontzettend veel te lezen over wat over het algemeen goed werkt voor het pedagogisch-didactisch handelen.

Wat voor jou werkt – voor jouw leerlingen (of studenten) en in jullie specifieke situatie – kan toch weer net anders uitpakken. Hoe zorgvuldig je onderzoek ook toepast om ervoor te zorgen dat leerlingen hun huiswerk maken, soms blijft het alsnog verkreukeld onderin hun tas zitten en kun je die leerling wel achter het behang plakken… áls hij het al heeft meegenomen. Dat is en blijft de complexiteit realiteit.

Collective teacher efficacy

Evidence-informed handelen vraagt om het kritisch en bewust combineren van onderzoek met de dagelijkse praktijk. Dat betekent enerzijds dat je je niet blindstaart op losse studies, en anderzijds dat je niet te snel concludeert dat ‘iets niet werkt’ op basis van een enkele ervaring. Onderzoek laat zien dat het verbinden van onderzoekskennis aan de lokale context een essentieel onderdeel is van professioneel handelen (Biesta, 2010). Dit vraagt om een proces van gezamenlijk onderzoeken, reflecteren en iteratief verbeteren.

Precies daar komt collective teacher efficacy (CTE) in beeld: de gedeelde overtuiging binnen een team dat je samen invloed hebt op het leren van leerlingen. CTE blijkt één van de sterkst gerapporteerde factoren te zijn die samenhang vertoont met de leerprestaties (Hattie, 2015). Het gaat om het samen analyseren van lespraktijken, onderzoeken wat werkt om zo samen beter onderwijs te ontwikkelen (Stoll et al., 2006). Die gezamenlijke aanpak versterkt niet alleen de deskundigheid, maar ook het vertrouwen dat je als team daadwerkelijk verschil kunt maken. Dat vertrouwen, gebaseerd op gedeelde expertise en gezamenlijke besluitvorming, blijkt een krachtige voorspeller van de mate waarin onderwijsverbeteringen ook daadwerkelijk in de klas landen (Donohoo, 2017).

Evidence-informed werken wordt in zo’n setting geen abstract beleidswoord, maar een organisatiecultuur: samen kijken, samen proberen, samen leren. Het is een proces waarbij onderzoek richting geeft, maar waarin het team bepaalt wat binnen hun context écht werkt voor hun leerlingen.

Aansluiting op de eigen praktijk

En die context is heel belangrijk. Een recente reviewstudie van Bridwell-Mitchell en Lee (2025) laat zien dat onderwijsverandering niet stokt door een gebrek aan kennis, maar door hoe scholen als instituties functioneren. Vernieuwingen botsen vaak op bestaande routines, overtuigingen, verwachtingen van ouders en organisatorische structuren. Professionals passen nieuw beleid bovendien spontaan aan wat in hun context haalbaar en logisch voelt, waardoor plannen uiteenvallen in de praktijk zoals die al bestond.

Deze inzichten onderstrepen dat evidence-informed werken alleen kansrijk is wanneer het aansluit bij de cultuur en logica van een school. Pas als beleid, professionele overtuigingen en dagelijkse praktijk elkaar versterken, ontstaat echte ruimte voor duurzame verbetering.

Triple B model

Een fijn model om hierbij de hanteren is het Triple-B-model (Vanlommel et al., 2025). Het model helpt om evidence-informed handelen te zien als een afgewogen professioneel proces. Het laat zien dat drie elementen altijd samenkomen: de Beslissing, de Bronnen van evidentie en de Beslisser. Niet elke keuze vraagt om dezelfde bewijslast. Voor dagelijkse lesbeslissingen spelen ervaring en kennis van leerlingen een grotere rol, terwijl grotere onderwijskeuzes juist steviger onderbouwd moeten zijn met onderzoek en schooldata.

Figuur 2. Het Triple-B-Model (Universiteit van Antwerpen, 2025)

Onderwijs kent niet één juiste. Goed handelen draait om het combineren van onderzoek, ervaring én context – en het steeds toetsen of iets werkt voor deze leerlingen, op deze plek. Zo sluit het Triple-B-model logisch aan op collective teacher efficacy: teams geven samen betekenis aan kennis en vertalen die naar hun praktijk.

Gedeeld vakmanschap

Met het Triple-B model, gecombineerd met de inzichten over replicatie, meta-analyses en teamgericht professionaliseren, wordt duidelijk dat “doen wat werkt” in het onderwijs niet simpel is. Het betekent geen blind volgen van één onderzoek of effect, maar bewust, kritisch en contextsensitief handelen: steeds afwegen wat de beslissing is, welke vormen van evidentie beschikbaar zijn en wie die beslissing neemt. Of het nu gaat over didactiek of het samen werken aan curriculumbewustzijn, bijvoorbeeld voor de nieuwe kerndoelen.

Evidence-informed werken wordt zo geen checklist of dogma, maar een continu proces van samen leren, experimenteren, reflecteren en bijstellen. Alleen op die manier kan het onderwijs blijven groeien, gedragen worden door onderzoek én door de professionele wijsheid van leraren.

Evidence-informed is geen verplichting voor alle scholen, maar een vorm van gedeeld, professioneel vakmanschap: samen ervoor zorgen dat het werkt.

Literatuur

Biesta, G. (2010). Good education in an age of measurement: Ethics, politics, democracy. Routledge.

Bridwell-Mitchell, E. N., & Lee, S. (2025). What Can Institutional Analysis Tell Us About School Improvement Reforms? Review of Educational Research, 0(0). https://doi.org/10.3102/00346543251379901

Donohoo, J. (2017). Collective teacher efficacy: Strengthening the heart of instructional leadership. Corwin Press.

Hattie, J. (2015). The applicability of Visible Learning to higher education. Scholarship of Teaching and Learning in Psychology, 1(1), 79–91.

Stoll, L., Bolam, R., McMahon, A., Wallace, M., & Thomas, S. (2006). Professional learning communities: A review of the literature. Journal of Educational Change, 7, 221–258.

Vanlommel, K., Goffin, E., & Vanhoof, J. (2025). Het Triple-B model voor evidence-informed werken in de onderwijspraktijk: Beslissingen, Bronnen van Evidentie en Beslissers. Tijdschrift OnderwijsPraktijk Studies. https://doi.org/10.54657/TOPS.22431

image_pdfDownload artikel

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *