Het geheim van vmbo-kunstdocenten: 5 pedagogische strategieën

Lesgeven in het beeldende praktijklokaal kan intensief zijn en voldoening geven. Lessen beeldende kunst en vormgeving vragen veel vaardigheden van de docent rondom het geven van vrijheid, het maken van contact en het gebruik van materialen. Standaard boeken over klassenmanagement en pedagogiek houden te weinig rekening met hoe een beeldende les er uit ziet. Ze geven kunstdocenten daarom weinig houvast. Onderzoekers Meldrid Ibrahim en Gina Sanches hebben vanuit het lectoraat Kunsteducatie van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten (AHK) onderzoek gedaan naar de pedagogische onderwijspraktijk in de vmbo kunstklas. In dit gastartikel maak je kennis met de vijf kunstpedagogische strategieën uit het onderzoek ‘Gewoon hele chille lessen – Een verbindend en uitdagend pedagogisch leerklimaat in de vmbo-kunstklas’. De pedagogische aanpak van kunstdocenten die bewust kiezen voor het vmbo, is zowel herkenbaar als inspirerend voor docenten die in andere vakgebieden lesgeven. 

Onderzoek

Wat is kenmerkend voor het pedagogisch handelen van kunstdocenten om een verbindend en uitdagend leerklimaat te creëren in het vmbo? Deze vraag stond centraal in het onderzoek. Het theoretisch kader laat zien dat een sterk leerklimaat rust op het opbouwen van een vertrouwensrelatie en betekenisvolle verbinding met leerlingen, gecombineerd met duidelijke kaders en gedragsverwachtingen. Tegelijkertijd worden leerlingen uitgedaagd via hoge verwachtingen, betekenisvolle kunstopdrachten en specifieke didactische en pedagogische feedback. Om dit in de praktijk te onderzoeken, zijn zeven ervaren vmbo-kunstdocenten geobserveerd tijdens hun lessen en geïnterviewd over hun benadering. De opgedane inzichten uit de lesobservaties en interviews leidden tot de identificatie vijf concrete pedagogische strategieën voor in het kunstlokaal.

1. Grijp elke mogelijkheid tot verbinding aan 

De kunstdocenten uit het onderzoek zetten zich actief in om hun leerlingen te leren kennen, en reageren daarbij op subtiele aanknopingspunten. Zoals een docent die even stil staat bij een nieuwe hoofddoek van haar leerling of een docent die met elke klas een eigen muziek afspeellijst maakt. Daarmee brengen docenten verbinding met hun leerlingen tot stand en onderhouden die. Een docent zegt hierover: “aan het begin van het jaar ga ik echt per tafel aan tafel zitten. Om de namen ook te leren en te vragen van: ‘goh, wat doe je voor sport? Wat vind je lekker van eten? En wat vind je spannend en wat vind je leuk? Waar word je blij van?’ (…) En dat je twee weken later nog eens een keer vraagt van: ‘goh, hoe is het toen afgelopen?” Open kunstopdrachten met persoonlijke inbreng kunnen een ondersteuning zijn bij het opbouwen van een relatie tussen docent en leerling, zoals bijvoorbeeld een opdracht waarbij leerlingen een gedicht uit hun eigen (thuis)cultuur moeten verbeelden. 

2. Draag gedragsverwachtingen uit 

De kunstdocenten uit het onderzoek maken aan het begin van een jaar of lessenreeks duidelijk welk gedrag zij van de leerlingen verwachten. Dit herhalen zij iedere les en bekrachtigen het positief als het gedrag van leerlingen past bij de verwachtingen. Wanneer correctie nodig is, doen zij dit grotendeels non-verbaal, speels en als het kan een-op-een. Sommige docenten koppelden de gedragsverwachtingen aan kunst en cultuur, zoals een docent die het Boek met Alle Antwoorden op zijn bureau heeft liggen: “Als mijn leerlingen heel veel vragen hebben, en ik word gek: want ik wil gewoon dat ze zelf dingen gaan uitzoeken, dan zeg ik: ‘vraag het aan het boek met alle antwoorden.’ En dan doe ik hier heel serieus over. Dat ze er een hand op moeten leggen. (…) het antwoord dat hier staat, is dan het antwoord op hun vraag. En daar moeten ze dan maar mee doen. (…) doordat het zo’n gek dingetje is, kun je ook weer een band opbouwen met je leerlingen.” Deze docent stimuleert de zelfstandigheid en draagt daarbij gedragsverwachtingen op speelse manier uit aan zijn leerlingen.

3. Geef ruimte aan leerlingen 

Kunstdocenten creëren idealiter een omgeving waarin leerlingen binnen de gestelde kaders vrijheid ervaren en zich uitgedaagd voelen om aan artistieke opdrachten te werken. Docenten in dit onderzoek bieden die creatieve ruimte op verschillende manieren. Zo kijkt een docent rustig toe hoe leerlingen aan het werk zijn, en rommelt ze op de achtergrond met karton. Een andere docent loopt rond en blijft vaak stil staan. Ze heeft haar handen op haar rug en is met de stagiaire in gesprek, maar ze kijkt steeds het lokaal in. Ze grijpt niet voortdurend in, maar geeft een aanwijzing wanneer nodig. Er worden tips gegeven, maar de leerling kan zelf besluiten daar wel of niet iets mee te doen. Bij een lesobservatie loopt een leerling door het lokaal en zegt: “Ik ben niet creatief.” De docent loopt naar bord en roept hard: “Woh! Je bent creatiever dan je denkt hoor!” Ze opent wat sites op het scherm om voorbeelden te laten zien. De leerling loopt achter haar aan, kijkt en vraagt: “Mag ik ook gewoon wat uit mijn hoofd tekenen?” De docent reageert: “Tuurlijk, wat jij wil!” Ze schakelt het scherm gelijk uit, en de leerling gaat haar eigen weg.

4. Zwengel het werkproces aan 

De kunstdocenten in het onderzoek hebben veel invloed op het op gang brengen van het creatieve proces bij leerlingen. Ze moedigen de leerlingen aan om aan de gang te gaan en denken mee door open vragen te stellen. Wanneer leerlingen aan de slag zijn, is constructieve feedback op de inhoud belangrijk, in taal die bij het kunstvak past: “Wat ik tof vind is dat je een beetje eigen interpretatie hebt, je hebt een soort van duistere versie gemaakt van het stilleven.” Leerling: “Geen idee.” “Ja toch, met een beetje een donkere achtergrond en dat licht dat hier zo fel schijnt en lijkt wel een beetje bloed dat rode of rode verf. Komt er nog een object bij of denk je dat je ‘m verder zo gaat uitwerken?” Een aantal docenten in het onderzoek leeft de vrijheid en het experimentele karakter van het domein van de kunsten voor, door zelf artistiek gedrag te laten zien en bijvoorbeeld tijdens de les zelf aan de gang te gaan met grote stukken karton of leerlingen op het systeemplafond te laten tekenen. Deze docenten geven een idee van hoe vrij werken en experimenteren eruitziet, en wakkeren dat aan bij hun leerlingen.

5. Zet routines in rond het werken in het kunstlokaal 

De manier waarop het lokaal is ingericht, heeft invloed op hoe de leerlingen omgaan met het materiaal en met elkaar. Veel docenten noemen de opruimroutine als essentieel onderdeel van de les. Zij besteden hier aandacht aan en ondervinden dat het hen helpt om dit op een eigen manier te organiseren. Hierbij wordt creativiteit ingezet, bijvoorbeeld een kleurrijk systeem om het materialengebruik en het opruimen daarvan ordelijk te laten verlopen. Een andere docent laat leerlingen die iets willen iets lenen een persoonlijk eigendom inleveren als borg. Bijvoorbeeld, bij een leerling die een potlood wil lenen: “Je mag het van mij lenen, als ik iets van jou mag lenen.” De leerling komt met een blok hout, gevonden in het lokaal. Bo: “Nee, ik wil een privé-eigendom van jou; een pinpas, je portemonnee, een ring, een schoen, vóór wat hoort wat.” Dit soort routines maken het dagelijks werk van de docent plezierig en geven houvast. 

Tot slot

In dit onderzoek is gekeken naar de voortdurende dynamiek tussen leerlingen en docent. Juist in de spontane momenten werd het pedagogisch handelen zichtbaar. Met het zichtbaar maken van verschillende persoonlijke doceerstijlen, moedigt dit onderzoek de lezers aan om hun eigen creatieve pedagogische aanpak te verkennen en uit te breiden. Ben je benieuwd naar meer? Lees hier het hele onderzoek.

image_pdfDownload artikel

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *