Vanaf studiejaar 2027-2028 wordt burgerschap in het mbo een examenvak. Geen inspanningsverplichting meer, maar een resultaatverplichting, met een portfolio als waarschijnlijke vorm. Dit vraagt wat van de inrichting van het curriculum: het werken aan de doelen, het toetsen ervan én de didactiek om studenten hierin te begeleiden. Waarom is dit besluit genomen? Wat houdt het precies in? En hoe kun je hier als team praktisch mee aan de slag? Daarover alles in dit artikel.
Waarom een examen burgerschap?
Burgerschap staat al sinds 2006 op het programma in het mbo. Tot nu toe gold er vooral een inspanningsverplichting: studenten moesten aantoonbaar deelnemen aan het burgerschapsonderwijs, maar er was geen afzonderlijk examenresultaat dat meetelde voor diplomering. Er waren wel landelijke kwalificatie-eisen, maar instellingen hadden veel ruimte om die via de Onderwijs- en Examenregeling zelf uit te werken.
In de praktijk leidde dat tot grote kwaliteitsverschillen. De Onderwijsinspectie signaleert al langer dat burgerschapsonderwijs op veel plekken onvoldoende doelgericht en samenhangend is. Ook internationaal vergelijkend onderzoek naar burgerschapscompetenties van jongeren laat zien dat Nederland op onderdelen kwetsbaar scoort. Dat versterkte de roep om burgerschap in het mbo minder vrijblijvend te maken.
Tegelijkertijd groeide de maatschappelijke urgentie. In een samenleving met snelle veranderingen, polarisatie en een toenemende rol van desinformatie wordt het belangrijker dat jongeren weten hoe de democratische rechtsstaat werkt, kritisch kunnen denken, en zelfstandig keuzes kunnen maken over hun toekomst en hun financiën. De Expertgroep Burgerschapsonderwijs adviseerde daarom om het vak minder vrijblijvend te maken, en zowel studenten als docenten bleken positief tegenover een examenvorm te staan, mits die niet uitsluitend op kennis getoetst zou worden.
Het ministerie van OCW heeft daarmee een fundamentele keuze gemaakt: burgerschap krijgt dezelfde status als de andere generieke onderdelen van een mbo-opleiding. Geen kennistoets, omdat het vak juist ook over vaardigheden, houding en ervaring gaat, maar wel een examen, met een portfolio als denkrichting.
Wat verandert er precies?
Er verandert tegelijk iets in de eisen aan het onderwijs, de vorm van het examen en de eisen aan docenten – drie onderdelen die nauw met elkaar zijn verbonden.
Van inspanning naar resultaat
De belangrijkste verandering is principieel: burgerschap wordt een resultaatverplichting. Studenten moeten straks aantoonbaar de kwalificatie-eisen beheersen om hun diploma te kunnen halen. Vergelijkbaar dus met de generieke eisen voor Nederlands en rekenen, maar dan via een instellingsexamen in plaats van een centraal examen.
Vier thema’s, twintig kwalificatie-eisen
De inhoud is opnieuw geordend. In plaats van de bekende vier dimensies (politiek-juDe inhoud is opnieuw geordend. In plaats van de bekende vier dimensies — politiek-juridisch, economisch, sociaal-maatschappelijk en vitaal burgerschap — komen er vier thema’s:
- Verschil en gelijkwaardigheid: omgaan met verschillen tussen mensen en groepen, en onderzoeken wat gelijkwaardigheid betekent in concrete situaties.
- Individu en groep: nadenken over de verhouding tussen eigen keuzes, sociale verbanden en verantwoordelijkheid voor anderen.
- Maatschappijvisies en maatschappelijke vraagstukken: verschillende perspectieven op maatschappelijke kwesties herkennen, onderzoeken en wegen.
- Macht en besluitvorming: begrijpen hoe macht, inspraak en democratische besluitvorming werken, en hoe je daar zelf invloed op kunt uitoefenen.
Binnen deze thema’s zijn twintig kwalificatie-eisen geformuleerd. Daarbij is een belangrijke verschuiving zichtbaar: burgerschap wordt meer dan ‘weten wat het is’. Studenten moeten leren nadenken, onderzoeken en reflecteren, en kunnen omgaan met spanningen en dilemma’s. Dat is een hogere taxonomische orde dan voorheen.
Een instellingsexamen, vermoedelijk een portfolio
Er komt geen centraal landelijk examen. Opleidingen krijgen ruimte om het instellingsexamen zelf vorm te geven. Een portfolio wordt door OCW nadrukkelijk genoemd als mogelijke vorm. Dat kan bijvoorbeeld worden gevuld met praktijkopdrachten, verslagen, presentaties, interviews, bezoeken aan instellingen en een afsluitend gesprek met de student. In de beleidsuitwerking wordt uitgegaan van een waardering in drie gradaties: onvoldoende, voldoende of goed.
Aanvullende eisen aan docenten
Moet burgerschap een los vak worden? Niet per se. Wel wordt de deskundigheid van docenten belangrijker. Voor docenten basisvaardigheden, waaronder burgerschap, werkt OCW aan aanvullende eisen om de kwaliteit en deskundigheid te versterken. De precieze invulling, overgangstermijnen en gevolgen voor zittende en nieuwe docenten moeten nog verder worden vastgesteld.
Praktijkvoorbeelden
Op een aantal mbo-instellingen wordt al gewerkt met een burgerschapsportfolio, vooruitlopend op de wettelijke verplichting. Zo worden Albeda, Summa College, Zadkine, Firda en ROC van Twente door het ministerie genoemd als voorbeelden waar de ervaringen van zowel studenten als docenten positief zijn. De inrichting verschilt per instelling, maar er zijn wel drie terugkerende keuzes:
Verbinding met de echte wereld. Portfolio’s komen tot leven wanneer studenten bewijslast verzamelen uit échte ervaringen: een stage waarin een ethisch dilemma speelt, een bezoek aan een rechtszaak, deelname aan een debat in de regio, een gesprek met een raadslid. Het zijn die momenten die de leerlijn betekenis geven, veel meer dan opdrachten die binnen de klas zijn bedacht.
Doorlopend opbouwen, niet plakwerk aan het eind. De portfolio’s die het beste werken, lopen door de hele opleiding heen. Studenten verzamelen vanaf het eerste jaar, krijgen regelmatig feedback en bespreken hun ontwikkeling met een vaste begeleider. Pas in het laatste deel valt alles samen in een afsluitend gesprek.
Een serieus eindgesprek. Het afsluitende gesprek is geen formaliteit, maar het moment waarop de validiteit van het oordeel staat of valt. Vaak voeren twee docenten dat gesprek samen, om beoordelaarseffecten te beperken en de student een rijker beeld terug te geven.
De rode draad: een portfolio dat werkt is geen documentenmap, het is een verzameling van betekenisvolle momenten waarop de student zichzelf laat zien als (toekomstig) burger.

Hoe geef je hier invulling aan?
De verleiding is groot om te beginnen bij het examen: een portfoliosjabloon ontwerpen, een rubric maken, een eindgesprekformulier opstellen. Begrijpelijk, maar het is precies de verkeerde volgorde. Wie begint bij het examen, eindigt vaak met afvinkonderwijs.
Begin bij het onderwijs, niet bij de toets
De bedoeling van de wetswijziging is juist dat burgerschap een serieuze, doorlopende plek in het curriculum krijgt. Dat vraagt om constructieve samenhang: eerst helder krijgen wat je studenten in dit vak wilt laten leren, en welke ervaringen, opdrachten en gesprekken daarbij passen. Pas daarna ontwerp je de bewijslast en het beoordelingsmoment. Dat is backward design in zuivere vorm: van eindwaardering terug naar onderwijsontwerp.
In de praktijk zien we dat opleidingen die hier doordacht mee aan de slag gaan, beginnen met de vraag: wat zien wij als ‘goed burgerschap’ bij onze studenten, gegeven het beroep waarvoor we opleiden? Een verpleegkundige in opleiding komt andere maatschappelijke vraagstukken tegen dan een aankomend mediavormgever. Het kwalificatiedossier geeft de kaders, maar de invulling kan en moet betekenisvol zijn voor het beroep en de leefwereld van de student.
Denk kwalificerend, niet puntmatig
Een portfolio is geen toets, het is een verzameling bewijsstukken over een langere periode. Dat sluit naadloos aan bij wat we vanuit lerend kwalificeren weten: één moment zegt weinig, een patroon van veel momenten zegt veel. Een student die over twee jaar met verschillende opdrachten, verslagen en gesprekken laat zien hoe hij of zij omgaat met diversiteit, dilemma’s en democratische processen, geeft je als beoordelaar een veel rijker beeld dan welke kennistoets dan ook.
Dat heeft wel consequenties. Het betekent dat formatief handelen binnen het vak essentieel is: studenten moeten gedurende de hele opleiding feedback krijgen op hun burgerschapsontwikkeling, niet pas in het laatste jaar. En het betekent dat het eindgesprek een serieus waarderingsmoment is, geen formaliteit. Daar leg je verbanden tussen de bewijsstukken, hoor je de reflectie van de student, en kom je tot een onderbouwd eindoordeel.
Wat verzamel je in het portfolio, en hoe?
Een portfolio dat recht doet aan de breedte van burgerschap, vraagt om bewust gekozen bewijslast. Niet zomaar alles wat een student inlevert, maar een doelbewuste selectie die de verschillende thema’s en denkniveaus laat zien. In de praktijk werkt het om met enkele categorieën bewijslast te werken:
- Kennisproducten: een onderzoek, verslag of presentatie waarin de student inhoudelijk een vraagstuk uitdiept, bijvoorbeeld over de werking van de gemeenteraad of de gevolgen van een nieuwe wet voor het eigen beroep.
- Ervaringsverslagen: een verslag van een bezoek, debat, interview, vrijwilligerswerk of stage-ervaring, waarin de student de eigen rol en observaties analyseert.
- Dialoogverslagen: een uitwerking van een gesprek over een dilemma of waardenkwestie, met collega-studenten, klanten of mensen buiten de eigen bubbel.
- Reflectieve momenten: korte reflecties op de eigen positie en groei, gekoppeld aan de vier thema’s van het kwalificatiedossier.
De grootste valkuil is dat een portfolio een losse verzameling bewijsstukken wordt zonder samenhang, of juist een papieren tijger die niemand meer overziet. In ons artikel Toetsen via een portfolio: makkelijker gezegd dan gedaan gaan we dieper in op de ontwerpvragen die hierbij komen kijken: wat geldt als geldig bewijs, hoe behoud je de samenhang, en hoe houd je het uiteindelijk beoordeelbaar?
Een vaak onderschat onderdeel is kalibratie tussen beoordelaars. Bij een holistisch oordeel op basis van een portfolio is de kans op interpretatieverschillen groot. Wat de ene docent een ‘voldoende’ vindt, kan voor een collega een ‘goed’ zijn. Het inplannen van kalibratiesessies, waarin docenten samen dezelfde portfolio’s beoordelen en hun oordeel onderbouwen, is dan geen extraatje maar noodzaak. Daarmee bouw je collegiale beoordelaarsovereenstemming op, wat de validiteit van de uiteindelijke beslissing fors versterkt.
Werk als team, niet als losse docent
Burgerschap is bij uitstek een vak dat niet bij één docent thuishoort. Maatschappelijke thema’s lopen door beroepsvakken, stage, loopbaanoriëntatie en mentoraat heen. Een aankomend monteur die in een stagebedrijf met inclusievraagstukken te maken krijgt, leert daar minstens zoveel burgerschap als in de klas. Een examen dat dit recht doet, vraagt om afstemming binnen het team: wie ziet wat, wie beoordeelt wat, en hoe brengen we het bij elkaar?
Tot slot: de invoeringsdatum is recent verschoven naar studiejaar 2027-2028. Dat klinkt ver weg, maar wie het serieus wil aanpakken (curriculum herzien, docenten bijscholen, portfoliostructuur ontwerpen, kalibratie tussen beoordelaars opzetten) heeft die tijd hard nodig. Gebruik de vrijgekomen tijd dus om hier als opleiding komend studiejaar goed mee aan de slag te gaan zodat je dadelijk goed van start kunt gaan.
Kortom
Het examen burgerschap is meer dan een procedurele wijziging. Het is een uitnodiging om burgerschap eindelijk de plek te geven die het verdient: inhoudelijk doordacht, programmatisch opgebouwd en aantoonbaar geleerd. De portfoliovorm biedt daarvoor de ruimte, maar alleen als je het ontwerp vanuit het onderwijs benadert en niet vanuit de bewijslast.
Begin dus niet bij het sjabloon. Begin bij de vraag wat je studenten écht wilt laten leren over hun rol in de samenleving, en bouw van daaruit terug.
Aan de slag met burgerschap in jouw mbo-opleiding?
De stap naar een examenvak burgerschap raakt veel meer dan alleen het examen. Het vraagt om keuzes in het curriculum, afstemming binnen het team, een doordachte portfolio-opbouw en heldere afspraken over hoe je gezamenlijk tot een eindwaardering komt. Trajecten als deze lukken het beste als er binnen de opleiding iemand is die het proces met curriculumkennis en procesregie kan trekken. Niet alleen voor burgerschap, maar voor alle curriculumvragen die de komende jaren op een mbo-opleiding afkomen. Daar leiden wij mensen voor op:
📚 Opleiding Curriculumexpert
Ontwikkel je tot curriculumexpert, zodat je binnen jouw school of opleiding de ontwikkeling van het curriculum kunt (bege)leiden. Hierbij ga je aan de slag me je eigen casus, zodat je het geleerde direct kunt toepassen in je eigen praktijk.
📍 8 lesdagen
💬 15 deelnemers (max)
🤝 Hands-on begeleiding
Daas, R., ten Dam, G., Dijkstra, A. B., Karkdijk, E. M., Naayer, H. M., Nieuwelink, H., & van der Veen, I. (2023). Burgerschap in beeld: Burgerschapscompetenties en burgerschapsonderwijs in vergelijkend perspectief. Amsterdam University Press.
Expertgroep burgerschap mbo. (2023). Burgerschapsonderwijs in een veranderende samenleving: Adviesrapport over de herijking van de kwalificatie-eisen voor burgerschapsonderwijs in het mbo. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/01/adviesrapport-burgerschapsonderwijs-in-een-veranderende-samenleving
Inspectie van het Onderwijs. (2024). De Staat van het Onderwijs 2024. Inspectie van het Onderwijs.
MBO Raad. (2022). Versterking burgerschap in het mbo: Vijf verenigingsafspraken. MBO Raad.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. (2023, 3 juli). Versterking burgerschapsonderwijs: Actielijn 1 van de aanpak basisvaardigheden middelbaar beroepsonderwijs [Kamerbrief]. https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-onderwijs-cultuur-en-wetenschap/documenten/kamerstukken/2023/07/03/versterking-burgerschapsonderwijs-actielijn-1-van-de-aanpak-basisvaardigheden-middelbaar-beroepsonderwijs-mbo
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. (2024, 4 april). Voortgang aanpak basisvaardigheden mbo [Kamerbrief].
Wiggins, G., & McTighe, J. (2005). Understanding by design (2nd ed.). ASCD.
