Toetsing in het hoger onderwijs is aan het veranderen. Opleidingen zoeken naar manieren om te beoordelen of een student écht begrijpt wat ze doet, waarom ze bepaalde keuzes maakt en hoe ze zich professioneel ontwikkelt. Tegelijkertijd maakt de opkomst van AI het steeds lastiger om op basis van een geschreven product alleen te beoordelen wat werkelijk van de student is. Een product vertelt je veel, maar niet alles. Het laat zien wát een student heeft gemaakt, niet hoe ze heeft geredeneerd, afgewogen en geleerd. Precies dat gemis verklaart waarom het gesprek als toetsinstrument terrein wint in het hbo. Niet het vrijblijvende nabespreekgesprek na een cijfer, maar het gestructureerde beoordelingsgesprek waarbij de student reflecteert en verantwoordt. Dat gesprek heeft een naam: het criteriumgericht interview, ofwel CGI.
Wat is een CGI en wat is het níét?
Een criteriumgericht interview wordt wel eens beschreven als ‘eindgesprek’. Dat is begrijpelijk, maar het is toch net wat anders. Bij een eindgesprek staat de beoordeling al grotendeels vast: het gesprek dient slechts om de authenticiteit van het ingediende werk te verifiëren. Wat er in het eindgesprek naar voren komt, verandert de eerder gegeven beoordeling in principe niet. Bij een CGI is het gesprek zélf het toetsinstrument: de beoordelingsinformatie wordt dóór het gesprek verzameld.
Een CGI focust specifiek op het gericht ophalen van informatie op basis van criteria. Dit maakt een CGI anders dan een competentiegericht interview. Dat type gesprek richt zich op wie iemand is en hoe hij in het algemeen functioneert. Een CGI heeft in die zin een meer convergerende functie: je bent bij een CGI gericht op zoek naar specifieke kenmerken van kwaliteit die van tevoren al zijn vastgelegd.
Wanneer zet je een CGI in? Wees kritisch.
Een CGI is geen vervanging voor elke andere toetsvorm, en zeker geen laagdrempelig alternatief voor een product dat lastig te beoordelen is. Vorm volgt inhoud, of met andere woorden: de toetsvorm volgt de beoogde leerdoelen/leeruitkomsten, nooit andersom. Dat principe van constructive alignment klinkt vanzelfsprekend, maar wordt in de praktijk regelmatig overgeslagen.
Een CGI is sterk als je wilt toetsen of een student haar eigen handelen kan verantwoorden en doordenken. Dat is niet iets wat een geschreven verslag je vertelt. Redeneren, afwegen, reflecteren: die dingen komen pas naar boven in een gesprek. Een CGI is ook goed inzetbaar als directe observatie niet mogelijk is: je kunt niet altijd meekijken bij een stagegesprek, een coachingssessie of een complexe interventie. In dat geval biedt een CGI via doorvragen toch zicht op het professionele handelen. En in een tijd waarin studenten toegang hebben tot AI is de CGI een goede manier om authenticiteit te borgen: niet als wantrouwende speuractie, maar als kans voor studenten om te laten zien dat ze hun werk echt begrijpen en dragen.
Er valt ook het een en ander te zeggen over wanneer de CGI géén goede keuze is als toetsvorm, bijvoorbeeld bij een leeruitkomst die primair draait om procedurele vaardigheden. In dat geval wil je het liefst via directe observatie of een handelingssimulatie toetsen. Een CGI is ook de verkeerde keuze als je hem gebruikt als vangnet voor een slecht ontworpen beroepsproduct. Als het product zelf de leeruitkomsten niet goed toetst, is dat een ontwerpprobleem dat je niet met een gesprek kunt oplossen. Tot slot: bij grote groepen is een CGI per student arbeidsintensief. Dat is geen bezwaar als de toetsvorm echt het beste past, maar het is wél een reden om de keuze bewust te maken.
Wat zegt onderzoek over validiteit en betrouwbaarheid?
Mondeling toetsen heeft een reputatieprobleem. En eerlijk gezegd: niet zonder reden. Wie ooit een mondeling heeft afgenomen waarbij de beoordeling meer afhing van de sympathie voor de student dan van de criteria, begrijpt waarom. Maar dat probleem zit niet in het format, het zit in het ontwerp. Nallaya en collega’s (2024) concluderen dat gestructureerde mondelinge toetsen aantoonbaar hoge validiteit en betrouwbaarheid kunnen bereiken, maar dat dit staat of valt met het ontwerp. Gestandaardiseerde vragen, heldere criteria, getrainde beoordelaars: dát zijn de factoren die het verschil maken. Ongestructureerde gesprekken presteren significant slechter op beide kwaliteitsdimensies.
Wat betreft validiteit, meet je wat je wilt meten, heeft een goed ontworpen CGI aantoonbare constructvaliditeit: het meet conceptueel begrip, redeneervaardigheden en kritische reflectie, dingen die een geschreven product lang niet altijd zichtbaar maakt. Mits de criteria helder zijn geformuleerd en de vragen daarop zijn afgestemd, meet je precies wat je beoogt.
De kwetsbaarheid zit bij de betrouwbaarheid. Beoordelaarseffecten zijn reële risico’s, bijvoorbeeld het halo-effect (een sterke start kleurt de rest van het gesprek) en primacy- en recency effecten (het voornamelijk onthouden van het begin of eind). Deze effecten kun je nooit volledig elimineren, maar je kunt ze fors beperken. En ook daarvoor geldt: structuur is de sterkste voorspeller van betrouwbaarheid, dus maak gebruik van gestructureerde vragen gebaseerd op heldere criteria. Daarbij verhoogt het vierogenprincipe, twee assessoren bij zwaarwegende beslissingen, de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid significant en is in veel hbo-opleidingen daarom ook niet voor niets verplicht.
CGI naast een portfolio of beroepsproduct: hoe werkt dat?
In de praktijk wordt een CGI zelden als enige toetsvorm ingezet. Vaak combineert een opleiding hem met een portfolio of beroepsproduct. Maar dan rijst direct de vraag: hoe verhouden die twee toetsvormen zich tot elkaar, en hoe kom je uiteindelijk tot één oordeel?
Er zijn twee manieren waarop je tot één eindoordeel kunt komen. Het is belangrijk dat je als opleiding bewust kiest, want de keuze heeft gevolgen voor je beoordelingsformulier, de instructie aan studenten en de kwaliteit van je eindoordeel.
Binnen de eerste manier toetsen product en CGI elk andere succescriteria van dezelfde leeruitkomst. Het beroepsproduct brengt bewijs voor de kwaliteit van het eindresultaat: is het adviesrapport inhoudelijk correct, professioneel geformuleerd, logisch opgebouwd? Het CGI toetst het proces en de redenering: waarom deze aanpak? Wat waren de alternatieven? Hoe reflecteer je op je eigen rol? Elk instrument heeft zijn eigen beoordelingsformulier, en een onvoldoende op één van beide leidt tot een onvoldoende voor de leeruitkomst als geheel. Dit model is het meest robuust als je een volledige leeruitkomst wilt afdekken.
In gesprek
In het tweede model vormt het product de kern van de beoordeling en fungeert het CGI als drempelcheck: kan de student haar eigen werk toelichten en verdedigen? Als dat overtuigend gebeurt, blijft de beoordeling van het product staan. Als er serieuze twijfel ontstaat over begrip of authenticiteit, volgt een heroverweging. In dit model heeft het CGI geen eigen weging: het is een go/no-go. Dit model is minder zwaar in uitvoering en past goed als het product het primaire bewijsstuk is en het gesprek vooral als borgingsmechanisme dient.
Portfolio’s kunnen een krachtige basis vormen voor een CGI. Maar de CGI zelf vraagt een eigen aanpak, een eigen ontwerp en een eigen kwaliteitsborging. Welk model je ook kiest: zorg dat studenten vooraf weten wat de functie van het gesprek is. Neem de tijd om die bewuste keuzes te maken. Zo kan het gesprek écht bijdragen aan het leren van je studenten én aan jouw zicht daarop. In figuur 1 hebben we de besproken factoren die bepalen of een CGI een passende toetsvorm is of niet op een rijtje gezet.
Tot slot
Beoordelen blijft mensenwerk. Dat geldt voor elke toetsvorm waarbij een docent een oordeel velt, maar bij een CGI is dat menselijk element explicieter aanwezig dan bij een nakijkmodel voor een schriftelijk tentamen. Dat vraagt iets van jou als beoordelaar. Goede beoordelaars onderscheiden zich niet doordat ze de regels beter kennen, maar doordat ze zich goed voorbereiden, gesprekstechnieken vloeiend toepassen en tot intersubjectieve, onderbouwde oordelen komen. Dat vraagt om oefenen, oefenen, oefenen.
Dus overweeg je een CGI in te zetten? Neem de tijd om stil te staan bij het ontwerp en de voorbereiding. Maar juist gebruik is van grote meerwaarde voor jouw onderwijs. Een CGI laat zien wat een product nooit helemaal kan laten zien: het redeneren, het afwegen, het leren. Zo maakt deze vorm de toetsactiviteit tot een leeractiviteit op zichzelf, en dat is de moeite waard.
Aan de slag? Download de Flowchart ontwerpkeuzes CGI.
DownloadBiggs, J. & Tang, C. (2011). Teaching for Quality Learning at University. McGraw-Hill.
McDaniel, M.A., Whetzel, D.L., Schmidt, F.L., & Maurer, S.D. (1994). The validity of employment interviews. Journal of Applied Psychology, 79(4), 599–616.
Nallaya, S., Gentili, E., Weeks, A. & Baldock, P. (2024). The validity, reliability, academic integrity and integration of oral assessments in higher education: A systematic review. Issues in Educational Research, 34(2).
Oudkerk Pool, M. (2013). Expertiseontwikkeling en professionalisering van de assessor. HvA.
Edudatabase CTL-VU — Criteriumgericht interview (2023).
