Minoren in het hoger onderwijs worden vaak gezien als ruimte voor keuzevrijheid, profilering en flexibilisering. Studenten krijgen de mogelijkheid om tijdelijk buiten hun eigen opleiding te kijken en een onderwerp te kiezen dat aansluit bij hun interesses of ambities. In de praktijk is die keuzevrijheid echter niet altijd vanzelfsprekend. Wat is het potentieel van een minor? En welke consequenties heeft het geven van de keuzevrijheid? De minor kan functioneren als proeftuin: een plek waar studenten buiten hun vertrouwde opleidingscontext leren kijken, nieuwe perspectieven ontdekken en richting geven aan hun professionele ontwikkeling.
Ruimte voor experiment
Binnen het reguliere curriculum, de major, is onderwijs vaak gericht op opbouw, beheersing en toetsbaarheid. Dat is begrijpelijk. Opleidingen bereiden studenten systematisch voor op een beroepspraktijk en moeten voldoen aan accreditatie-eisen. Tegelijkertijd kan een sterk georganiseerd curriculum de ruimte voor exploratie beperken. Studenten leren vooral hoe zij zich binnen een bestaande beroepslogica moeten bewegen, maar krijgen minder vaak de kans om die logica tijdelijk los te laten.
Een minor kan precies die ruimte bieden. Studenten stappen tijdelijk uit de vanzelfsprekendheid van hun eigen opleiding en komen terecht in andere contexten, met andere studenten, andere vraagstukken en andere manieren van denken. Een student techniek kan in aanraking komen met sociale innovatie, een Pabo student met ondernemerschap of ontwerp, en een student social work met technologische vraagstukken. Zulke ervaringen verbreden niet alleen kennis, maar ook het professionele zelfbeeld.
Boundary crossing
Akkerman en Bakker (2011) beschrijven dit als boundary crossing: Het vertrekpunt van deze theorie is dat men tot nieuwe, innovatieve resultaten komen wanneer ze across boundaries, dus over grenzen heen, werken en leren. De grenzen en het leren bevinden zich op verschillende niveau’s:
- Individueel
Dit betreft grenzen die een persoon ervaart wanneer hij of zij zich tussen verschillende contexten beweegt. Zo kan een student zich realiseren dat de manier van communiceren die binnen de opleiding gebruikelijk is, niet altijd passend is in een professionele omgeving. Een student kan bijvoorbeeld opmerken: ‘Ik merk dat ik bij een opdrachtgever niet dezelfde taal kan gebruiken als wanneer ik op school met medestudenten praat.’ - Interpersoonlijk
Deze grenzen ontstaan tussen personen met verschillende achtergronden, ervaringen of professionele perspectieven. Wanneer twee studenten uit verschillende opleidingen samenwerken, kunnen zij bijvoorbeeld ontdekken dat zij ieder een andere aanpak hanteren voor het opstellen van een projectplan. Door hun werkwijzen te vergelijken en met elkaar in gesprek te gaan, ontwikkelen zij gezamenlijk een nieuw format dat aansluit bij de behoeften van het project. - Institutioneel
Institutionele grenzen ontstaan wanneer studenten zich bewegen tussen verschillende organisaties of institutionele contexten. Een student die een minor volgt aan een andere hogeschool of universiteit ontdekt bijvoorbeeld dat daar andere onderwijsvisies, verwachtingen, werkvormen of beoordelingspraktijken worden gehanteerd dan binnen de eigen opleiding. Wat op de ene instelling vanzelfsprekend is, blijkt elders anders georganiseerd te zijn (Akkerman en Bakker, 2011).
Inhoudelijke verbreding
Juist wanneer studenten zich tussen werelden bewegen, ontstaat ruimte voor reflectie. Wat eerst vanzelfsprekend leek, wordt opnieuw bevraagd. Studenten ontdekken dat complexe vraagstukken zich niet laten oplossen vanuit één discipline alleen. Tegelijkertijd ontdekken zij iets over zichzelf: wat hen raakt, waar hun nieuwsgierigheid ligt en wat voor professional zij willen worden.
Daarmee wordt de minor meer dan inhoudelijke verbreding. De minor wordt een vormingsruimte. Hiermee biedt je ruimte voor de personificatie functie van onderwijs (Biesta, 2020). Dat pleit ervoor om studenten werkelijk keuzevrijheid te bieden en hen niet te beperken tot een kleine, vooraf geselecteerde set mogelijkheden. Via Kies op Maat kunnen studenten kiezen uit meer dan 2000 minoren verspreid door heel Nederland. Juist die brede toegang maakt het mogelijk om buiten de grenzen van de eigen opleiding te leren.
Bij een werkelijk vrije minor kunnen opleidingen niet vooraf vastleggen welke leerresultaten uit de major tijdens deze periode worden gerealiseerd. Voor veel opleidingen is dat een reden om de keuzevrijheid van studenten te beperken. Daarmee beschouwen we de minor echter vanuit de logica van de major. Waar de major draait om opbouw, samenhang en beroepsgerichte verdieping, ligt de kracht van de minor juist in verkenning, verbreding en onverwachte ontdekkingen. Niet iedere waardevolle opbrengst laat zich vooraf vastleggen in leeruitkomsten.
De vraag zou daarom niet moeten zijn welke leerresultaten een student tijdens de minor behaalt, maar hoe de ervaringen uit de minor betekenis krijgen binnen de verdere opleiding.
Van minor naar major
De echte kracht van de minor ontstaat wanneer ervaringen uit de minor opnieuw betekenis krijgen binnen de major. Te vaak functioneren minoren nog als losse episodes: waardevol op zichzelf, maar beperkt verbonden met de verdere leerroute van studenten. Studenten keren terug naar hun opleiding en vervolgen het curriculum alsof de minor een tijdelijke onderbreking was.
Wanneer opleidingen minorervaringen bewust verbinden aan de major en studenten helpen om bewust een keuze te maken voor het type minor wat ze willen volgen, verandert dat. De minor wordt dan geen uitstapje, maar een overgangsruimte tussen opleiding, professionele identiteit en afstuderen. Studenten nemen nieuwe fascinaties, vragen en ervaringen mee terug. Zij bouwen verder op contacten uit het werkveld, op maatschappelijke vraagstukken die zij hebben ontdekt of op nieuwe professionele rollen die zij hebben verkend.
Een manier om de minor te verbinden is bij het afstuderen. In de minor kunnen studenten verkennen waar hun professionele interesse ligt; in het afstuderen kunnen zij die richting verdiepen en betekenis geven binnen hun eigen beroepscontext. Zo ontstaat een krachtiger leerroute: eerst breed verkennen, daarna gericht verdiepen.
Ruimte voor docenten
De minor biedt niet alleen studenten ruimte, maar ook docenten. Binnen reguliere curricula ervaren docenten vaak stevige kaders. Beoogde leerresultaten liggen vast, toetsing moet worden verantwoord en onderwijs beweegt binnen bestaande structuren. Minoren kennen doorgaans meer flexibiliteit. Daardoor ontstaat ruimte voor actuele thema’s, interdisciplinair samenwerken en nieuwe didactische vormen.
Docenten kunnen in minoren experimenteren met onderwijsconcepten die binnen de major moeilijker te realiseren zijn, zoals challenge based learning, hybride leeromgevingen, ontwerpgericht onderwijs of authentieke vormen van beoordelen. In die zin zijn minoren ook innovatieplekken voor het hoger onderwijs. Vernieuwingen ontstaan vaak aan de randen van het systeem, juist omdat daar meer bewegingsruimte bestaat.
Tot slot
De minor is niet slechts keuzeonderwijs. Zij vormt een noodzakelijke tussenruimte binnen het hoger onderwijs: een plek waar studenten en docenten mogen zoeken, proberen, verdwalen en opnieuw richting vinden. In een tijd waarin opleidingen steeds efficiënter, voorspelbaarder en toetsbaarder worden georganiseerd, is die ruimte van grote waarde.
Wie minoren serieus neemt, ziet ze niet als los onderdeel naast de major, maar als proeftuin voor professionele vorming, onderwijsontwikkeling en betekenisvol afstuderen.
Akkerman, S. F., & Bakker, A. (2011). Boundary Crossing and Boundary Objects. Review of Educational Research, 81(2), 132–169.
Biesta, G. (2020). Risking Ourselves in Education: Qualification, Socialization, and Subjectification Revisited. Educational Theory.
Kies op Maat. Landelijk platform voor minoren en keuzeonderwijs in het hoger onderwijs. www.kiesopmaat.nl
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).
