De startopdracht

Hoe zorg je ervoor dat leerlingen vanaf de eerste minuut van je les betrokken zijn? Een goed gekozen startopdracht kan het verschil maken. In dit artikel besteden we aandacht aan de startopdracht. Een korte activiteit of opdracht aan het begin van de les die leerlingen direct activeert en bij de les betrekt. Startopdrachten vormen een brug tussen de les en voorgaande lessen, stimuleren de voorkennis of prikkelen de nieuwsgierigheid aan het begin van een nieuw hoofdstuk of thema.

Meerdere doeleinden

Een startopdracht kun je voor meerdere doeleinden inzetten. In dit artikel bespreken we er vier: de startopdracht voor een goed begin van een nieuw hoofdstuk of thema, voor het activeren van voorkennis, voor formatief handelen en de startopdracht als leeractiviteit. Vervolgens geven we je nog 7 algemene adviezen voor een goede startopdracht.

Een startopdracht inzetten bij de start van een nieuw hoofdstuk of thema

Bij het inzetten van een startopdracht aan het begin van een nieuw hoofdstuk of thema, maken leerlingen op actieve wijze kennis met het onderwerp van de komende periode. Zo kun je een voorwerp dat hoort bij het thema in het klaslokaal leggen waar leerlingen vragen over gaan beantwoorden. Vergelijkbaar is een see-think-wonder-opdracht. Leerlingen krijgen een afbeelding te zien met daarbij de vragen: Wat zie je (zien), waar gaat het volgens jou over (denken) en welke vragen zijn er nog overgebleven (verwonderen; ik vraag mij af …)? Dergelijke activiteiten stimuleren de nieuwsgierigheid zonder dat er voorkennis nodig is.

Een startopdracht gebruiken om voorkennis te activeren 

Door voorkennis te activeren bereiden we de leerlingen voor op de inhoud van de les. Met werkvormen zoals een woordenwolk, een quiz, reageren op stellingen of de placemat met vier hoeken worden leerlingen uitgedaagd om na te denken over het onderwerp van de les. Je vindt hier nog meer werkvormen om voorkennis te activeren. Als de noodzakelijke voorkennis nog ontbreekt dan is het verstandig om hier eerst in te investeren alvorens de nieuwe kennis aan te bieden. 

Figuur 1. Nieuwe kennis verbindt zich met al bestaande kennis in ons geheugen.
Een startopdracht inzetten voor formatief handelen

Formatief handelen houdt in dat de docent en de leerlingen informatie verzamelen over het leerproces van de leerlingen zodat zij beiden onderbouwde beslissingen kunnen nemen over het vervolg. Deze check vindt vaak plaats na een instructie of op het einde van de les maar is ook zinvol aan het begin van de les. Een les staat namelijk zelden op zichzelf en is bijna altijd onderdeel van een lessenserie. Zo kan er gestart worden met een activiteit die leerlingen bevraagd over de inhoud van de voorgaande lessen. Je beoordeelt aan het begin van de les of iedereen klaar is om een volgende stap te zetten. Als dit niet het geval is, pas je het lesdoel aan. 

Een startopdracht inzetten als leeractiviteit

Een startopdracht kan ook ingezet worden voor retrieval practice, het actief terughalen van kennis uit het geheugen. Er zijn verschillende strategieën die je kan inzetten. Zo kun je jouw leerlingen vragen om alles op te schrijven wat zij nog kunnen terughalen van een vorige les. We noemen dit vrij terughalen of een braindump. Je kan ook vragen stellen over recente lessen en lessen die wat langer geleden zijn (gespreid oefenen) of verschillende onderwerpen door elkaar bevragen (afwisselend herhalen). Met hints, bijvoorbeeld in de vorm van afbeeldingen, bied je ondersteuning. Door deze hints geleidelijk af te bouwen worden leerlingen vaardiger in het terughalen van de kennis. Dit noem je retrieval practice met afnemende cues.

Figuur 2. Drie opdrachten waarbij de hints geleidelijk worden afgebouwd. 

Adviezen voor een goede startopdracht

De start van de les zet de toon voor de rest van de les. Het is dan ook belangrijk om te investeren in een goede startopdracht. We geven hieronder enkele adviezen voor een goede start.

1. Maak voor leerlingen een begrijpelijke koppeling met het lesprogramma

Het is belangrijk dat leerlingen de samenhang tussen de verschillende onderdelen van een les zien en begrijpen. Zo moet de startopdracht een zinvol onderdeel zijn van de les en geen opvulling van de tijd. De ervaring leert dat starten met het delen van het lesprogramma een positieve impact heeft op het verloop van de les. Een goede tip is om daarbij voor elk onderdeel uit te spreken wat je verwacht van je leerlingen. 

2. Ondertitel de startopdracht, leg uit waarom je deze opdracht inzet in relatie tot de les en de leerdoelen

Door uit te leggen waarom je start met voorkennis activeren of met welk doel je vragen stelt over de voorgaande les geef je leerlingen inzicht in de strategieën die jij als docent gebruikt. Het delen van de strategie achter de activiteit noem je ondertitelen. Het ondertitelen van je activiteiten helpt leerlingen bij de ontwikkeling en verdieping van hun eigen leervaardigheden.

3. Zorg voor voldoende ruimte voor een vervolg in de les

Op het moment dat een startopdracht zichtbaar maakt dat bijvoorbeeld bepaalde voorkennis ontbreekt, dat leerlingen moeite hebben met het terughalen van bepaalde kennis of dat een leerling iets verkeerd begrepen heeft, geef dan hier een vervolg aan in de les. Je past je instructie aan of je geeft leerlingen de kans om de feedback te benutten. Deze follow-ups kosten tijd, wat betekent dat je hier in je lesontwerp ruimte voor vrij moet maken. 

4. Maak de startopdracht voldoende kort

Een startopdracht is een startmoment van de les en niet de les zelf. Houd de startopdracht daarom voldoende kort. Idealiter kunnen leerlingen de opdracht in 1 à 5 minuten voltooien.

5. Zorg dat alle leerlingen de opdracht gemakkelijk kunnen uitvoeren

Zoals gezegd moeten leerlingen de startopdracht in een relatief korte tijd kunnen voltooien. Dit betekent dat de opdracht niet te complex dient te zijn en dat alle leerlingen in staat zijn om de opdracht zelfstandig en vlot te kunnen uitvoeren. We geven drie adviezen die eraan bijdragen dat alle leerlingen de opdracht gemakkelijk kunnen uitvoeren.

  • Zorg voor een goede voorbereiding. Leg alle materialen klaar en check of er zaken onvolledig of defect zijn. Leg reservematerialen klaar voor leerlingen die dat nodig hebben.
  • Zorg voor passende ondersteuning. Denk bijvoorbeeld aan een lijst met moeilijke woorden bij een leestekst, een stappenplan op het bord of de mogelijkheid om de startopdracht samen met je schoudermaatje te maken. 
  • Investeer in routines. Denk hierbij aan een duidelijk startsignaal of een routine bij een vraag. (‘Probeer het eerst zelf. Lukt dat niet, dan overleg je rustig met je schoudermaatje. Komen jullie er allebei niet uit dan steek je een vinger op.”)
6. Zorg voor balans tussen structuur en gewenning en afwisseling

Het advies is om een paar verschillende werkvormen in te zetten voor startopdrachten en deze af te wisselen. Leerlingen krijgen de werkvormen hierdoor snel in de vingers, wat maakt dat ze steeds makkelijker en daardoor sneller worden uitgevoerd. Stem daarnaast, waar dit mogelijk is, je startactiviteiten af met de collega’s van andere vakken. Hierdoor voorkom je dat een klas tijdens een lesdag meerdere keren dezelfde werkvorm moet doen.

7. Gastheerschap voorafgaand aan de startopdracht

Een goede start van de les begint bij deur. Ontvang je leerlingen en maak met alle leerlingen contact. Geef korte instructies (“Doe jouw kauwgom alsjeblieft in de prullenbak.”) of wijs leerlingen op de inloopopdracht die klaarstaat op het bord. (Een inloopopdracht is een startopdracht waar leerlingen meteen mee beginnen.)
Deel complimenten uit aan leerlingen die zich goed gedragen bij binnenkomst. (“Stefan, wat fijn dat jij meteen je spullen op tafel legt.”) en laat ook zelf het gewenste gedrag zien. Zo investeer je in een goed begin van de les.

Figuur 3. Ga in deuropening staan. Zo houd je zicht op de gang en in het lokaal.

Tot slot

Als leerlingen zelfstandig werken aan de startopdracht zijn er een aantal dingen die je kunt doen. Je kunt aan je bureau gaan zitten en rustig werken aan een kleine opdracht. Zeker in het begin, als het werken met startopdrachten nog nieuw is voor leerlingen, is dit aan te raden. Door te gaan zitten en rustig te werken model je namelijk het gedrag dat je bij je leerlingen wil zien tijdens de startopdracht.
Tijdens een formatieve opdracht is het verstandig om door het lokaal te lopen en alvast het werk van een aantal leerlingen te scannen. Je krijgt zo een eerste indruk van de onderwerpen die mogelijk nog een extra instructie behoeven. 

De startopdracht kan ook gebruikt worden om even met een leerling te spreken die bedroefd of boos de les is binnengelopen. Alle andere leerlingen zijn rustig aan het werk waardoor jij tijd en ruimte hebt om een luisterend oor te bieden. Na verloop van tijd, als leerlingen gewend zijn aan het ritme van een les met een startopdracht, kun je dit moment ook gebruiken voor kleine werkzaamheden, zoals het doorgeven van de leerlingen die absent zijn.

Welke rol je ook kiest tijdens de startopdracht: gebruik het bewust en doelgericht. Zo haal je er het meeste uit voor jezelf én je leerlingen. Succes met het vinden van een manier die bij jou en jouw klas past!

image_pdfDownload artikel

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *