Als docenten hebben we het beste voor met onze leerlingen: we willen goed onderwijs bieden om leerlingen voor te bereiden op een goede toekomst. Om dit te bereiken zijn we voortdurend op zoek naar nieuwe inzichten en mogelijkheden. Daarbij gelooft soms iedereen wat anders óf nemen we klakkeloos dingen van elkaar over. Zo ontstaan er soms hardnekkige mythes over leren en onderwijs. In dit artikel 4 mythes over onderwijs.
1. Leerstijlen in het onderwijs

Het probleem met leerstijlen is onder andere dat er een verschil is tussen hoe mensen graag leren en hoe mensen goed leren. Daarnaast bestaat er ook uitgebreid meta-onderzoek (Clark, 1982) dat laat zien dat er geen – of zelfs een negatief – verband is tussen leerstijlen en leerresultaten (suiker is lekker, maar niet altijd goed). Ook bestaat het gevaar dat we mensen indelen in hokjes, terwijl de meeste mensen niet in één hokje passen, er geen bewezen goede test bestaan om dit te doen én er simpelweg te veel leerstijlen zijn: onderzoek van Coffiel, Moseley, Hall en Ecclestone heeft 71 leerstijlen aangetoond.
Er is dan ook nauwelijks wetenschappelijk bewijs dat aantoont dat het onderwijs aanpassen aan leerstijlen effect heeft. Het kan zelfs een negatief effect hebben. Iedereen leert anders; maar deel mensen dus niet in hokjes in.
2. De rechterhersenhelft is creatief

De mythe komt voort uit de jaren 1800. Dokters ontdekten dat, als een hersenhelft verwond werd, bepaalde functies verdwenen. Inmiddels weten we door scans dat hersenhelften elkaar ‘besturen’.. maar waarom is links dan rationeel en rechts creatief? Er zijn in de 20ste eeuw diverse boeken verschenen waarin hypotheses stonden over de werking van hersenen, omdat uit hersenonderzoek naar voren kwam dat mensen bijvoorbeeld vaak hun linkerhersenhelft gebruiken als het om taal gaat – maar zelfs dan is de andere hersenhelft wél nodig.
Uit meer onderzoek van onder anderen Nielsen (2013) komt naar voren dat er inderdaad bepaalde gebieden in de hersenen zijn die sterker zijn in bepaalde taken, maar dat je zeer zeker niet kunt spreken over ‘linkse en rechtse gebieden’. Daarvoor zijn hersenen simpelweg te ingewikkeld bedraad.
Ook is er recent nog meer uitgebreid onderzoek gedaan waardoor duidelijk is geworden dat beide hersenhelften nodig zijn voor creativiteit (Sign, H., & O’Boyle, M. W. (2004): klik hier.
3. Scholen doden creativiteit
De meeste bekeken TED video is die van Ken Robinson.
Een toespraak die later nog door het RSA is geanimeerd:
Scholen doden creativiteit. Als onderbouwing gebruikt Ken Robinson onder andere een onderzoek van Guilford (1967). Uit dit onderzoek zou blijken dat leerlingen minder geniaal zijn, omdat zij leren minder afwijkend, oftewel minder creatief, te denken.
Robinson vergelijkt allereerst de termen ‘geniaal’ (IQ) en ‘creatief’, iets wat hij doet op basis van een onderzoek van Guilford, die juist stelt dat ‘intelligentie (gemeten IQ)’ en ‘ creativiteit’ niet onderdeel zijn van hetzelfde proces – ze hebben weinig met elkaar te maken (Batey & Furnham, 2006; Kim, 2005). Robinson stelt dan ook ten onrechte dat je zowel genialiteit als creativiteit bij je geboorte hebt en dat dit door school wordt verwaarloosd. Ook is er geen onderzoek dat aantoont dat leerlingen creatiever worden als je school zou afschaffen – wel zouden leerlingen vanzelfsprekend creatiever worden als je er meer rekening mee houdt binnen het onderwijs (zoals met alles).
Je zou dus wel kunnen stellen dat de scholen te weinig doen om leerlingen te laten werken aan hun creativiteit, maar niet dat ze het ‘doden’…wel blijft staan dat Sir Ken Robinson goed is in het inspireren: het RSA filmpje blijft wat ons betreft zeker een kijktip.
4. Internet maakt ons dommer

Maar is er dan überhaupt wel een correlatie tussen toegang tot internet en IQ? We gebruiken Google wel steeds vaker als ‘extern geheugen’ (Sparrow, B. 2011). Studenten onthouden informatie die niet op internet te vinden is beter: informatie die ze kunnen opslaan onthouden zij minder goed (relatief goed onthouden ze dan wel waar die informatie te vinden is). Uit onderzoek kun je dan ook voorzichtig concluderen dat we selectiever onthouden (Pink, S. 2010). Maar… we onthouden dus meer wat noodzakelijk is: waarom straatnamen en plaatsen onthouden als we Google Maps hebben.
Je kunt dus eerder stellen dat we slimmer worden in het efficiënt gebruiken van ons geheugen. Er is geen onderzoek dat duidelijk aantoont dat we ‘dommer’ worden door de komst van het internet.
Meer Mythes

