Associate degree en Bacheloropleiding, praktijkvoorbeelden (NLQF deel 2)

De verscheidenheid aan opleidingen wordt steeds groter in Nederland. Zo komen er ook steeds meer associatie degree (ad) opleidingen. Dit relatief nieuwe type opleiding behoort tot NLQF 5 en heeft dus ook eigen eisen ten aanzien van bijvoorbeeld de leeruitkomsten. Hoe weet je met welk niveau je te maken hebt? In drie artikelen gaan we hier verder op in. In het eerste artikel lees je hoe het NLQF ook in het formele onderwijs een helder raamwerk biedt en wat het onderscheid is tussen niveau 5 en niveau 6. In dit tweede artikel bekijken we praktijkvoorbeelden van leeruitkomsten op niveau 5 en 6.

Leeruitkomsten

Een waardevol hulpmiddel om het verschil tussen niveau 5 en 6 concreet te maken, is het werken met leeruitkomsten. Steeds vaker wordt in het hoger onderwijs niet alleen gekeken naar de inhoud van vakken of het aantal studiepunten, maar naar wat studenten daadwerkelijk kunnen laten zien aan het einde van hun opleiding. Leeruitkomsten maken dit expliciet. Leeruitkomsten worden geformuleerd aan de hand van vier elementen: gedrag, onderwerp, context en standaard (zie figuur 1).

Afbeelding 1: Een samenstelling van een leeruitkomst.

Een leeruitkomst geeft richting aan het leren, bevordert zelfregulatie en zelfanalyse en maakt het geven van feedback effectiever. Het vormt de basis van je onderwijs. We schreven meerdere artikelen over dit onderwerp.

Leeruitkomsten op niveau

Bij het beschrijven van het gedrag, het onderwerp, de context en de standaard, kun je verschillende keuzes maken. Om ervoor te zorgen dat de keuzes die je maakt voldoende aan het gewenste niveau, is er het NLQF raamwerk. Het helpt om leeruitkomsten niet alleen inhoudelijk scherp te stellen, maar ook op het juiste niveau. Zo helpt het raamwerk om iedereen van –  studenten tot werkgevers – precies begrijpt wat deze leeruitkomsten inhouden. Het helpt ons de leeruitkomsten op verschillende niveaus in een raamwerk te plaatsen, zodat we de complexiteit en verantwoordelijkheid van een opleiding zowel binnen Nederland als internationaal kunnen begrijpen.

Laten we eens kijken naar een paar voorbeelden uit de NLQF-database, de beplantingsspecialist op NLQF 5 en de anesthesiemedewerker op NLQF 6. Hierdoor wordt het onderscheid tussen de verschillende niveaus duidelijker. We hebben ingezoomd op drie descriptoren, toepassen van kennis, informatievaardigheden en zelfstandigheid.

Toepassen van Kennis

Niveau 5 

  • De beplantingsspecialist weet ontwerpideeën uit te drukken aan de hand van plantcomposities

Niveau 6 

  • De anesthesiemedewerker in staat is zeer snel een analyse uit te voeren, een waarschijnlijkheidsdiagnose te stellen adequaat te handelen en op het juiste moment de hulp in te roepen van de anesthesioloog of anderen. Hierbij wordt theoretische kennis geïntegreerd in de praktijk van onder andere de chirurgische techniek, anatomie/fysiologie, farmacologie, ziekteleer en anesthesiologisch zorg en technieken. 
Informatievaardigheden

Niveau 5 

  • De beplantingsspecialist verzamelt naast informatie over wensen en eisen tevens informatie over het budget, beheersmatige uitgangspunten, de functie van de beplanting, gegevens over de locatie, de gevraagde ecosysteemdiensten en betrekt daarbij ook actuele ontwikkelingen op het vakgebied 

Niveau 6 

  • Hij bewaakt, observeert en registreert systematisch de vitale functies van de patiënt. Hij analyseert en interpreteert de verkregen gegevens, communiceert daarover met de andere leden van het chirurgisch behandelteam en treft, indien nodig, correctieve maatregelen.
Verantwoordelijkheid en zelfstandigheid

Niveau 5 

  • De beplantingsspecialist werkt op basis van een vraagstelling van opdrachtgevers zoals: particulieren, gemeenten, instellingen en ontwerp- en architectenbureaus 

Niveau 6 

  • Hij neemt tijdens de afwezigheid van de anesthesioloog zelfstandig beslissingen en actie binnen de grenzen van zijn/haar kennis en kunde. De anesthesiemedewerker voert zelfstandig medische handelingen uit die het operatieve proces ondersteunen.

De concrete verschillen

De leeruitkomsten van de anesthesiemedewerker op niveau 6 stellen hoge eisen aan zowel kennis als zelfstandigheid. Deze professional moet snel kunnen analyseren en adequaat handelen. Daarbij wordt verwacht dat hij niet alleen theoretische kennis toepast, maar ook in staat is om zelfstandig beslissingen te nemen wanneer de anesthesioloog afwezig is. De anesthesiemedewerker is dus niet alleen afhankelijk van de aanwezigheid van anderen, maar moet in veel gevallen zelf beslissingen nemen en daarop actie ondernemen. Dit past bij de descriptoren van niveau 6, waarin verwacht wordt dat de professional verantwoordelijk is voor het uitvoeren van taken met een hoog niveau van autonomie en complexiteit. 

De leeruitkomsten van de beplantingsspecialist op niveau 5 vragen een andere benadering. Hij moet ontwerpideeën vertalen naar plantcomposities en daarbij niet alleen rekening houden met de wensen van de opdrachtgever, maar ook met een aantal andere factoren zoals het budget, de locatie en het ecosysteem. In dit geval gaat het vooral om het toepassen van kennis binnen de kaders die door de opdrachtgever worden gesteld. In de context van het NLQF is dit een niveau waarbij de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van taken belangrijk is, maar de mate van zelfstandigheid is minder groot dan op niveau 6. 

Zo zie je dus duidelijke verschillen tussen beide niveaus. 

Meer voorbeelden
Wil je meer voorbeelden zien? Kijk dan ook eens naar de landelijke Ad-profielen
en naar de 5 generieke leerresultaten uit de Beschrijving niveau 5.

Tot slot

Wat kunnen we leren van deze voorbeelden? Deze voorbeelden helpen ons te begrijpen hoe belangrijk het is om leeruitkomsten goed af te stemmen op het niveau van de opleiding. Ze laten ook zien dat elk niveau zijn eigen unieke kenmerken heeft. 

De anesthesiemedewerker op niveau 6 heeft bijvoorbeeld meer verantwoordelijkheid en moet sneller kunnen handelen, terwijl de beplantingsspecialist op niveau 5 werkt binnen een duidelijker gedefinieerd kader, maar wel met ruimte voor creatief toepassen van kennis. Door de leeruitkomsten goed te beschrijven en te linken aan het juiste niveau, weten studenten én werkgevers precies wat ze kunnen verwachten. Dit maakt het gemakkelijker om de inhoud en kwaliteit van opleidingen te begrijpen en zorgt voor duidelijkheid over welke vaardigheden en kennis een afgestudeerde met zich meebrengt. 

Wil je meer weten over het raamwerk en leeruitkomsten, kijk dan ook eens op de website van het NLQF.

Om die kwaliteit en duidelijkheid te borgen, zijn transparantie en vergelijkbaarheid erg belangrijk: je wilt immers dat iedereen – van studenten tot werkgevers – precies begrijpt wat deze leeruitkomsten inhouden. Om hierbij te ondersteunen zijn er nieuwe richtlijnen van CEDEFOP opgesteld. Wat houden deze in? En hoe kun je ze gebruiken voor het formuleren van passende leeruitkomsten? Daarover alles in derde, laatste artikel van dit drieluik. 

image_pdfDownload artikel

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *