Peerfeedback: 5 richtlijnen voor het effectief inzetten

Er is steeds meer interesse in het inzetten van feedback en peerfeedback. Maar, het blijkt in de praktijk toch lastig te zijn om peerfeedback effectief te implementeren in de les of in het ontwerp. Een herkenbare uitspraak van docenten is “Ik heb peerfeedback ingezet en studenten willen toch feedback van mij.” Hoe komt het dan dat onze studenten geen feedback van elkaar willen aannemen terwijl dit juist heel effectief kan zijn? In dit artikel kijken we naar hoe je dit effectief kunt inzetten.

Een van de redenen kan zijn dat feedback wordt gezien als eenrichtingsverkeer (Henderson et al., 2019), namelijk van docent naar student. Uiteraard is het meer: feedback kan ook gebeuren van student naar docent of van student naar student. Meestal vindt de feedbackgever dat het niet goed ontvangen wordt terwijl de feedback ontvanger vindt dat het niet goed gegeven wordt. Als docent heb je daarbij het zelf voor een deel in de hand hoe feedback verwerkt wordt.


Meer weten over feedback? Beluister dan ook aflevering 2 van de Wijsneuzen, onze podcast:


Onbewust geef je soms zelf aan dat een bepaald element erg belangrijk is omdat het terug komt in een summatieve beslissing. Ook heb je zelf in de hand hoe feedback verwerkt wordt als we descriptieve feedback geven. Onder descriptieve feedback verstaan we het op beschrijvende wijze geven van feedback waardoor de ontvanger alleen iets hoeft aan te passen. Zo werk je zelf een cultuur in de hand waarbij studenten feedback verwerken omdat de “docent het zo wil zien, want zij kijkt na.” Best zonde, want we willen juist dat ze leren en groeien én we willen dat de student feedback verwerkt om het leerproces te vergroten. Het geven van effectieve feedback is essentieel om onze studenten te laten groeien. Hoe kan je dit nou het beste doen? Een aantal richtlijnen:

Richtlijn 1: Gestructureerde & Georganiseerde Setting

Allereerst vergt het inzetten van peerfeedback dat je een gestructureerde en georganiseerde setting creëert voor de student. De studenten moeten weten op welke punten ze elkaar feedback geven, de criteria moeten vaststaan. Als dit nog niet vaststaat, kan je in samenspraak met studenten beslissen welke criteria belangrijk zijn voor het product, presentatie of verslag wat ze moeten maken. We willen juist dat ze goed en kritisch nadenken, en meebeslissen met de criteria vergroot daarbij de betrokkenheid.

Richtlijn 2: Feedback Instructie

Voorzie de studenten van feedback instructie. De studenten moeten weten hoe ze feedback moeten geven, of dat op inhoud, structuur of format is. Het helpt om dit met ze te oefenen. Dit kan je doen aan de hand van examplars. Geef ze wat goede voorbeelden mee en geef dan ook aan dat de voorbeelden niet perfect zijn. Zo moeten ze zelf gaan filteren wat goed is en wat niet, aan de hand van de opgestelde criteria. 

Richtlijn 3: Kwaliteitsbesef

Als studenten dan vervolgens elkaar feedback gaan geven maak ze dan ook bewust van kwaliteit. Feedback moet de ander op weg helpen, helpen groeien, helpen verbeteren. Wat kan er beter en waarom? Dit hoeft niet opgeschreven te worden als “Dit is in de verkeerde tijd geschreven, het moet X zijn”. Leer je studenten aan dat ze kritische vragen stellen bijvoorbeeld: “Ik zie dat je twee onderzoeksmethodes hebt gebruikt, waarom heb je deze gebruikt?” Door deze vraag te stellen laat je ook zien dat student A wel heeft uitgelegd welke onderzoeksmethode hij gebruikt maar niet waarom. Leer ze altijd aan om het niet op de persoon te brengen maar op het product wat ze voor zich hebben. Belangrijk hierbij is dat we suggesties doen en niet vertellen hoe het moet. Zo krijgt elk student eigenaarschap over het eigen leren en hun producten.

Richtijn 4: Verwerken van Feedback

Geef tijd om feedback te verwerken, laat het landen. Een herkenbare uitspraak van docenten: “studenten willen altijd in gesprek om alsnog een voldoende te halen”. Een gemiste kans voor hun studenten, wanneer dit niet kan! Het is altijd goed om te luisteren naar waarom de student dingen heeft opgeschreven of gedaan zoals ze het hebben gedaan. Door goed te luisteren en kritische vragen te stellen kan je doorgronden welke stappen studenten hebben gezet.

De meeste studenten zijn er al snel van overtuigd dat zij het goed hebben gedaan. Het is aan de docent om ze bewust te maken van kwaliteit. Daarbij moet je de tijd nemen om ze dit aan te leren en het kan ook inzicht geven in je eigen kunde als docent. Heb je de succescriteria doorgenomen met studenten? Weten ze (bijvoorbeeld) dat ze naast het vermelden van onderzoeksmethode ook moeten kunnen uitleggen waarom ze die hebben gekozen? Wat voor jou als docent vanzelfsprekend is, is dat niet altijd voor de student. Vragen stellen als “Waarom denk je dat je nu 0 punten hebt gekregen voor die opdracht?” is al anders dan “Je hebt helemaal niet uitgelegd wat je hebt gedaan.” De eerste vraag zet aan tot denken, de tweede is een opmerking die misschien niet zal landen bij de student. Help de student op weg en geef ze ook de ruimte om feedback te verwerken en terug te komen om eventueel nog wat vragen te stellen.

Richtlijn 5: Feedback Klimaat

Om peerfeedback effectief in te zetten is het belangrijk om een veilig leerklimaat te hebben in de klas. Dit is erg belangrijk om feedback durven te geven en te laten landen. Fouten maken is nodig om te groeien en ook docenten maken fouten. Door jezelf ook open te stellen zal dit als voorbeeld kunnen dienen voor je studenten. De kracht van peerfeedback is het oefenen met het geven van feedback en daarbij dus ook regels op te stellen. Oefen eens met een filmpje en laat ze vragen bedenken die ze willen stellen aan de maker van het filmpje. Laat leerlingen feedback geven aan jou en ga een dialoog aan. Als feedback je raakt, laat ze dan gelijk weten dat de manier waarop het gebracht wordt op een bepaalde manier over komt. Geef richting en help je studenten de juiste weg op.

Peerfeedback werkvormen

Met bovenstaande richtlijnen kun je al een grote stap zetten in het effectiever gebruik maken van peerfeedback. Wil je er nog praktischer mee aan de slag? Probeer dan eens wat vormen uit in je klas om je studenten of leerlingen te laten wennen en beter te laten worden in het geven van peerfeedback. Daarom hieronder een aantal praktische werkvormen die je direct kunt inzetten.

Sketch: Doe een sketch met je studenten waarin je gepaste en ongepaste manieren van feedback presenteert. Geef je studenten een bepaalde rol, dit kan van variëren van humor tot letten op grammatica. Geef in ieder geval 1 student de rol om constructieve peerfeedback te geven, zij stellen dan kritische vragen en maken opmerkingen over inhoud, structuur of organisatie. Organiseer daarna een groepsreflectie/discussie om te bespreken wat er gebeurde en wat ze gezien hebben.

Peer Groep: Laat je studenten een groepje vormen die regelmatig bij elkaar komt om feedback te geven op elkaars werk. Geef ze duidelijke feedback instructie mee om met verschillende vormen peerfeedback te doen. Hierbij kan je ervoor zorgen dat je in ieder geval 1 keer bij een groep langs gaat om ook feedback te geven op het proces van het peer-to-peer gesprek. Denk bijvoorbeeld aan een Socratisch gesprek waarin je niet oordeelt maar puur vragen stelt.

Luisteren & Doorvragen: Student A brengt werk in wat in de groep besproken wordt. Dit kan in kleine groepen maar kan ook in de klas. De groep bespreekt het ingebrachte werk van student A en die maakt aantekeningen over wat er gezegd wordt. Nadat dit besproken is krijgt de student kans om vragen te stellen om dingen te verduidelijken. Dit is niet alleen effectief om het geven van peerfeedback te vergroten maar draagt ook bij aan de luistervaardigheid van studenten.

Kortom: Als je peerfeedback wil inzetten dan moet je van tevoren goed nadenken over de kaders die je je studenten geeft, of jullie samen de succescriteria bepalen of niet en vooral veel oefenen met feedback geven en ontvangen. Feedback is een interactie tussen docent-student of student-student en er vindt eigenlijk altijd dialoog plaats. Veel succes!

Literatuur

Chappuis, J. (2012, September). Leadership for Learning: How am I doing? Educational Leadership, 70(1), 36-41.

Clark, S. (2003). Enriching feedback in the primary classroom. London: Hodder and Stoughton.
Fisher, D. & Frey, N. Making time for feedback. Educational Leadership, 70(1).

Hattie, J., and H. Timperley. 2007. “The Power of Feedback.” Review of Educational Research. 77(1): 81–112. doi:10.3102/003465430298487

Henderson, M., Philips, M., Ryan, T., & Boud, D. (2019). Conditions that enable effective feedback.

Stiggins, R. J., Arter, J.A., Chappuis, S., & Chappuis, S. (2004). Classroom Assessment for Student Learning: Doing it right – Using it well. Princeton, NJ: Educational Testing Service.

image_pdfDownload artikel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vernieuwenderwijs

Als Vernieuwenderwijs helpen we scholen en opleidingen te komen tot krachtig onderwijs. Dit doen we door samenhangende hoogwaardige diensten en producten te bieden op het gebied van curriculumontwerp, toetsing en didactiek.

Nieuwsbrief

Elke week onze artikelen & interessante linkjes ontvangen?

Please wait...

Bedankt, je staat op onze mailinglijst!

Contact

Vernieuwenderwijs B.V.
Kerkenbos 1344
6546 BG Nijmegen

📞 Wessel: 06 194 02 982

📞 Michiel: 06 193 37 715

✉️ info@vernieuwenderwijs.nl

© 2024 · Vernieuwenderwijs