Adviezen voor toetsinstrumenten in een brede brugklas (deel 1)

Leerlingen meer kansen geven zich te ontwikkelen tot het niveau dat bij hen past. Het is de leidende motivatie om als school te kiezen voor een heterogene- of brede brugklas. Om deze visie te realiseren zul je keuzes moeten maken in het curriculum. Zorgvuldig geformuleerde doelen vormen het vertrekpunt voor een doordacht toetsprogramma met toetsmomenten en -instrumenten. Deze geven je betrouwbare informatie over het niveau waarop de leerling werkt en leert. De informatie en de analyse gebruik je gedurende de onderbouw voor het afstemmen van je onderwijs, het tussentijds adviseren en het proces van determineren. Wat betekent dit voor je toetsprogramma en voor het ontwerp van je toetsinstrumenten? Lees hierover in dit artikel. (Dit artikel is geüpdatet in april 2025).

Toetsen in de brede brugklas

Wat wil je toetsen? Oftewel op basis waarvan wil je beslissen welk niveau het beste aansluit bij leerlingen? Eerder schreven wij daarover in artikelen over leerdoelen in de brede brugklas en toetsen in de brede brugklas. Deze artikelen kunnen dienen als fundering van dit artikel, waarin we dieper ingaan op het inzetten van geschikte toetsinstrumenten binnen je toetsprogramma.

In deel 1 en 2 van het artikel adviezen voor toetsinstrumenten voor de brede brugklas, geven we jou een aantal adviezen voor het ontwerpen van passende toetsinstrumenten. Omdat je toetsinstrumenten samenhangen met het toetsprogramma en je leerdoelen starten we in dit eerste artikel met een korte uitleg over het toetsprogramma en het gebruik van leerlijnen.

Het toetsprogramma

In een heterogene onderbouw denk je bewust na over de planning van de summatieve toetsmomenten. Om leerlingen meer tijd en kansen te geven om zich te ontwikkelen tot het eigen niveau, is het verstandig om de toetsen met een doorstroomfunctie (toetsen die op niveau selecteren) niet te vroeg in te zetten. Op die manier voorkom je dat in een vroeg stadium van de onderbouw, het meer over presteren dan over leren gaat.

Om gedurende de heterogene onderbouw zicht te krijgen op welk niveau leerlingen leren en werken, zijn er dus andere toetsmomenten nodig dan de genoemde summatieve toetsen met een doorstroomfunctie.
De data uit deze (formatieve) toetsmomenten kun je registreren, zodat er een overzicht van de voortgang ontstaat. Dit overzicht vormt een bruikbare onderlegger voor de voortgangsbesprekingen en de driehoeksgesprekken. Door het gebruik van een ander registratiesysteem dan de summatieve toetsmomenten, voorkom je dat er bij ouders en leerlingen verwarring over de voortgang ontstaat.

Doelen uitsplitsen op niveau en leerlijnen

Een ontwerp van een toets die de docent en de leerlingen inzicht geeft op het niveau van werken en leren, begint met de vraag: ‘Welke kennis, welke vaardigheden en welke attitude wil ik toetsen om een uitspraak te kunnen doen over het niveau?’ Hiervoor gebruik je doelen die, waar dat mogelijk is, zijn uitgesplitst op niveau. De wijze van uitsplitsing vormt de opzet voor je ontwerp, welke je vervolgens (eventueel met behulp van een toetsmatrijs of specificatietabel) verder gaat uitwerken. Meer over dit proces kun je lezen in dit artikel over toetsen in de brede brugklas.

Figuur 1: Doelen uitsplitsen op niveau.
Leerlijnen

Met een leerlijn teken je als docent de weg die jouw leerlingen afleggen terwijl ze vooruitgang boeken richting het gewenste eindgedrag binnen een thema of onderwerp. De beschrijvingen in leerlijnen helpen om te verduidelijken hoe leerlingen stap voor stap toewerken naar de gewenste prestaties. De hoeveelheid stappen zal afhangen van het te leren doel. Een richtlijn is om niet meer dan vijf opeenvolgende stappen te gebruiken voor een leerdoel. Zijn er meer tussenstappen nodig dan is het leerdoel mogelijk te complex of te uitgebreid. Het is dan beter om het leerdoel op te splitsen in kleinere leerdoelen en tussenstappen, die je vervolgens in een lijn achter elkaar plaatst. Een goed beschreven doorlopende leerlijn in de brede brugklas helpt je bij het volgen van de progressie van je leerlingen.

Figuur 2. Twee voorbeelden van leerdoelen en tussenstappen. 

Voor een brede brugklas  zijn er een aantal mogelijkheden:

1. De leerlijn kent op het einde een uitbouw naar een ‘hoger’ niveau. Alle leerlingen werken dan op de leerlijn naar het leerdoel voor niveau X en krijgen, als zij dit doel behalen, de gelegenheid om te werken naar het leerdoel voor niveau Y. Bijvoorbeeld met behulp van verrijkingsstof of plusopdrachten. 

Figuur 3. Een schematische weergave van een leerlijn met een uitbouw naar een hoger niveau.

2. Het leerdoel en (een aantal van) de tussenstappen worden voorzien van een uitbouw naar hoger niveau. Dit betekent dat alle leerlingen op het basisniveau werken en leren en er tijdens de lessen wordt gekeken wat leerlingen op het basisniveau nog meer kunnen.

Figuur 4. Een schematische weergave van een leerlijn met een uitbouw op enkele tussenstappen en op het leerdoel. 

In beide gevallen zet je voor elke tussenstap effectieve leerstrategieën, formatief handelen en passende ondersteuning in om leerlingen te begeleiden als zij werken en leren. Geldt scenario 1 (Er is geen verschil) dan werken alle leerlingen via dezelfde tussenstappen toe naar dezelfde leerdoelen. 

Voordelen voor rubrics

Een goed geschreven leerlijn kan een rubric aanzienlijk verbeteren door een duidelijk en gedetailleerd overzicht te bieden van de stappen die leerlingen doorlopen bij het ontwikkelen van specifieke vaardigheden of kennisgebieden. Met behulp van gedetailleerde beschrijvingen van elke fase, word je in staat gesteld om in de rubric meer gerichte en specifieke uitspraken te doen over waar een leerling zich bevindt in het leerproces. Zo’n rubric, ook wel een hyper-rubric genoemd, bevordert gerichte feedback en helpt jou en de leerlingen bij het identificeren van specifieke gebieden die verdere ontwikkeling behoeven.

Figuur 5: Een traditionele rubric versus een leerlijn

Adviezen voor toetsinstrumenten

Voor het ontwerp van een toets in een brede brugklas zijn er verschillende mogelijkheden. In dit artikel bespreken we er drie, namelijk coderen, getrapte toetsen en toetsen op tijd.

Coderen

Coderen betekent dat je in de toets de vragen op een hoger niveau codeert, bijvoorbeeld door ze een andere kleur te geven. Zo zie je in één oogopslag hoe leerlingen op verschillende niveaus presteren. De niveaus worden expliciet niet vermeld bij de gecodeerde vragen en alle leerlingen maken altijd alle vragen. 

Figuur 6: Voorbeeld van codering in een rekenmethode van Noordhoff.
Getrapte toetsen

Een getrapte toets is een toets die is opgedeeld in delen met een oplopende moeilijkheidsgraad. Hiervoor maak je blokken met vragen of kleine opdrachten van verschillend niveau. Net als bij gecodeerde toetsen maken alle leerlingen alle vragen. De niveaus worden niet expliciet vermeld op de toets. Ook een leestekst of praktische toets kan getrapt zijn door een opbouw in complexiteit. Daarover meer in het volgende artikel.

Afbeelding 6: Voorbeeld van een getrapte toets met 3 treden.
Toetsen op tijd

Toetsen op tijd (tempotoetsen) zijn bruikbaar op het moment dat je de snelheid en de nauwkeurigheid van leerlingen wilt meten bij het oplossen van opgaven. Het tempo waarin leerlingen opgaven goed kunnen maken zegt iets over de mate waarop zij de lesstof hebben geautomatiseerd of gememoriseerd. Memoriseren houdt in dat de leerling snel het goede antwoord kan geven zonder dat hij tussen-denkstappen hoeft te maken. Als automatisering of memorisering een belangrijke voorwaarde is voor de beheersing van een bepaalde vaardigheid, kan een ‘toets op tijd’ een waardevolle aanvulling zijn bij het beoordelen van de beheersing van de vaardigheid.

Toetsen op tijd dienen voornamelijk de leerfunctie. Voor het nemen van zwaarwegende beslissingen is deze vorm van toetsen minder geschikt. Het tempo waarmee een leerling een toets maakt weerspiegelt namelijk niet nauwkeurig zijn kennis en vaardigheden. Zo kan de ervaren tijdsdruk door leerlingen als (te) stressvol worden ervaren, waardoor zij mogelijk niet laten zien wat ze kunnen en kunnen leerlingen met bijvoorbeeld een taalachterstand in het nadeel zijn. Het is dan beter om te werken met toetsen waarin alle leerlingen ruim voldoende tijd krijgen om de gevraagde prestatie te leveren.

Tot slot

Zoals we in het begin van dit artikel schreven zijn doelen op niveau een goed startpunt voor het ontwerpen van toetsinstrumenten in een brede brugklas. Bij een verschil zoals in scenario 2 of scenario 3, probeer je dit te vertalen naar een bij de doelen passende toetsvorm. Zo voorkom je dat je achteraf met een rekenformule of vertaling van de cijfers een uitspraak moet doen over het niveau. Echter, als er geen verschil is, dan probeer je ook geen verschil te maken (scenario 1). Dit geldt voor de doelen waar je aan werkt en daarmee ook voor het ontwerp van je toetsinstrument.

We hopen dat we je met dit artikel alvast op weg hebben geholpen met toetsing in een brede brugklas. In een volgend deel van deze reeks gaan we o.a. in op praktische toetsen en open vragen om hogere cognitieve denkniveaus te toetsen.

Lees verder in deel 2.

Literatuur

– Wormeli, R. (2006) Fair isn’t always Equeal Fair Isn’t Always Equal: Assessing & Grading in the Differentiated Classroom. Stenhouse Publishers

– Gonzalez, J. (n.d.). Introducing the HyperRubric: A Tool that Takes Learning to the Next Level. cultofpedagogy.com

– Guskey, T. R. (2023) Engaging Parents and Families in Grading Reforms. Corwin

– Gernsbacher, M. A. et al. (2020)Four Empirically Based Reasons Not to Administer Time-Limited Tests. Author manuscript; available in PMC

– Hess, K. Learning Progressions Focus Area. Karin-Hess.com

– Fiona, J. (2021) Developing Curriculum Progression – forwards, backwards, up, down and across. Cambridge E.B.

– Saez, L. et al. (2012) Learning Progressions: Tools for Assessment and Instruction for All Learners. University of Oregon

image_pdfDownload artikel

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *